Startpagina

Ankertjes

a - b - c - d - e - f - g - h - i - j - k - l - m - n - o - p - q - r - s - t - u - v - w - x - y - z

Bareboat charter (E)

Huurcontract waarbij een schip zonder bemanning, tegen betaling van een huurprijs, ter beschikking van een derde wordt gesteld. De charteraar of huurder zorgt voor de bemanning van het schip en treedt op als reder.

Basculebrug

bij deze brug gaat het brugdek open en dicht door om een scharnierpunt te draaien. Het gewicht van het brugdek en dat van het kontergewicht is ongeveer evenredig. Hierdoor is er minder energie nodig om de brug te openen en te sluiten.

Beam (E)

De maximum breedte van een schip. Dit is soms een factor waarmee rekening moet gehouden worden om te bepalen of een schip een bepaalde haven kan aandoen of voor een bepaalde reis geschikt is. De “beam” kan daarbij vergeleken worden met de breedte van de sluizen en het gebruik van een bepaalde uitrusting bij het laden en lossen van de vracht.

Blankenbergse rekening

Volksgezegde aan de Vlaamse kust, waarmee men meestal een buitensporige opgedreven nota aanduidt. In werkelijkheid was het een ingewikkelde, moeilijk ontwarbare rekening zoals vroeger gebruikelijk bij de vissersnering van Blankenberge en reeds bekend in archieven van de veertiende eeuw. Elementen bij de berekening van het reders- en vissersloon waren : het vaste percentage toekomende aan de “ laver” of scheepsjongen ; de administratiekosten, zoals schrijfgeld en “afslaander of afslager”, hulp voor zee kiezen van gestrande schuiten of ondertouw; de “dobbels” waarvan jaarlijks afrekening volgde op de beschipdag (Zo heette vroeger langs de Vlaamse kust de dag waarop de bemanning van de vissersvloot werd aangemonsterd) en die dienden voor de betaling van huishuur, verwarming en schulden van het gezin; de schade aan de korre of netten die door de reder en vissers gezamenlijk werden bekostigd; de “meine” of kleine uitgaven; alsmede de bijdrage aan de vissersgilde.
Lang nadat het decimaal frankstelsel was ingevoerd, gebeurden de berekeningen nog steeds in ponden, schellingen en groten. De reder betaalde voorschotten op het loon, uitgedrukt in guldens en genoemd’ guldens thuis’. Een afrekening dekte een periode van 14 dagen.

Blauwe Steen (N)

Dit is een Symbolische benaming voor de rand van een kaaimuur. Deze term wordt gebruikt bij de INCO-term FOB (Free On Board), waar de verantwoordelijkheid en de kosten overgaan van de verkoper naar de koper op het ogenblik dat de goederen de reling van het schip (of de rand van de kaaimuur) passeren. In Vlaanderen spreekt men in dit geval van de “Blauwe Steen”.

Boeg (N) bow (E)

(1) Voorste gedeelte van de scheepsromp. De vorm van de boeg beïnvloedt in sterke mate de vaar- en manoeuvreereigenschappen van een schip.
(2) In enkele gevallen een ruimte binnen de romp, nu nog voorkomend in het woord ziekenboeg.
 

Boegdeur (N) bow door (E)

Deur aan het voorste gedeelte van een schip (meestal ferries of veerschepen) die het mogelijk maakt door het gebruik van een op- of afrit die zich achter die deur bevindt voertuigen te lossen of te laden.
 

Boeggolf (N) bow wave (E)

Golf opgestuwd door de boeg van een snelvarend schip. Grootte en richting zijn afhankelijk van de rompvorm onder water. De boeggolf betekent energieverlies. Om het behoud van de economische optimale vorm van het voorschip toch de boeggolf te beperken, worden bij grote schepen de bulbsteven toegepast.

Boegschroef (N) bow truster (E)

Propeller aangebracht in een dwarsscheepse tunnel - onder de waterlijn - in het voorschip van vaartuigen. Bedoeling is het manoeuvreren te vergemakkelijken. Door deze schroef zijn de schepen ook minder afhankelijk van sleepboten bij het aanleggen aan of het vertrekken van de kade.
 
Aangezien deze schroef zich onder de waterlijn bevindt en een draaiende schroef een gevaar kan betekenen voor o.a. duikers, wordt een teken aangebracht op de voorsteven (zie figuur) dat wijst op de aanwezigheid ervan.

Bolder (N) bollard (E)

Constructie aan dek van een schip of aan wal, bestaande uit één of meer verticale gietijzeren of stalen cilinders waarrond een manilla tros of een tros in kunststof of staaldraad kan worden bevestigd. Als het gaat over een verbinding van het schip met de wal, spreekt men van een meerbolder voor het meren of afmeren. In de binnen- of sleepvaart wordt de sleepdraad op het gesleepte schip bevestigd aan de sleepbolder. Bij een sleepboot heeft de sleepbolder grotere afmetingen en wordt deze opgebouwd met twee cilindervormige bolderpalen en een dwarsbalk waaraan de sleephaak met vering en sleepinrichting scharnierend is bevestigd.

Boord (N) board (E)

Huidplaat van een houten schip of in ruimere zin de zijde van een schip. Daarvan werden o.m. afgeleid: stuur- en bakboord, vrijboord en aan boord gaan (to embark - E).
 
stuur- en bakboord (N), port and starboard (E), right and left (AM):
 
rechter- en linkerzijde van het schip, wanneer men het gezicht naar de voorsteven van het schip richt. Vóór de uitvinding van het roer (12de eeuw) lag de zware stuurriem, die de besturing van het schip mogelijk maakte, rechts van de achtersteven en werd het rechterscheepsboord dus het “stuurboord” genoemd. De stuurman moest met beide handen sturen en keerde z’n rug (E back) naar de linkerscheepsboord, vandaar de benaming “bakboord”. In vele samenstellingen geven stuur- en bakboord aan dat het gerei of de installaties zich aan de rechter- of linkerkant van het schip bevinden: bakboordanker, stuurboordschroef, e.d. ‘s Nachts voert het schip aan stuurboord een groen en aan bakboord een rood licht. Ook in de bevelen voor het besturen van het schip komen deze termen voor, bvb. “bakboord roer” betekent dat het schip naar links moet draaien.
 
vrijboord (N), freeboard (E)
 
De verticaal midscheeps gemeten afstand tussen het wateroppervlak en het bovenste doorlopende waterdichte dek. Het vrijboord wordt aan de buitenzijde bovenaan op de scheepsromp aangegeven door een horizontale lijn, de deklijn genoemd.

Boot (N) boat (E)

Algemene benaming voor een open vaartuig dat kan worden voortbewogen door middel van roeiriemen, zeilen of een motor en gebruikt wordt als zelfstandig vaartuig, o.m. als vissersvaartuig, veerboot, sloep of werkboot van een schip. In samenstellingen worden ook schepen soms boot genoemd (zie “schip”)

Brakwater (N) brackish water (E)

Zoetwater gemengd met zeewater, waarvan de densiteit zich tussen 1.000 kg en 1.026 kg per kubieke meter bevindt.
Het brakwater komt meestal voor in open havens, estuaria en in of achter een sluis in een zeehaven.

Breakbulk (cargo) (E)

In tegenstelling tot de vracht vervoerd via roro of in containers - wordt allerlei verpakt stukgoed of “breakbulk” behandeld per stuk of in bundels. Een schip dat dergelijke vracht vervoert, wordt “breakbulk ship” (of -schip) genoemd. Naast de benaming “breakbulk” wordt voor deze goederen ook de term “conventioneel” gebruikt.

Brug (N) bridge (E)

Plaats van waaruit het schip wordt bestuurd, gecommandeerd en genavigeerd. Op zeilschepen was er geen brug. Die ontstond bijna 200 jaar geleden en ontwikkelde zich in overeenstemming met de technische evolutie van de scheepvaart. De stoomschepen voerden ook zeilen en de commandoplaats bevond zich vóór de schoorsteen, met het kompas, het stuurwiel en de spreekbuis naar de machinekamer. Na het verdwijnen van het zeiltuig was een hoger gelegen plaats nodig om het schip te overzien en zo ontstond de brug. Op het einde van de 19de eeuw bouwde men een type brug die zich tot na W.O. II handhaafde. Zo was er midscheeps een opbouw met aan de voorkant de open brug. Na W.O. II deden zich grote veranderingen voor die tot een volledig uitgeruste brug hebben geleid met o.m. afstandsbediening, automatische stuurinrichting, allerlei controle-, veiligheids- en verbindingsapparatuur, radar, enz... Daardoor is het mogelijk geworden dat één man van op de brug het schip kan besturen en controleren. Ook de plaats van de opbouw op het bovendek en dus van de brug werd gewijzigd in functie van het scheepstype (roro-schip, tanker, enz...), zodat de brug zich voor- of achteraan het schip kan bevinden. In het leven aan boord vormt de brug een soort heiligdom, voorbehouden aan dit deel van de bemanning die zich met het commando en de besturing bezighoudt.

BRUTO TONNENMAAT BT (Gross tonnage GT ) (E)

Deze uniforme manier van scheepsmeting - goedgekeurd
op de Internationale Conventie inzake Scheepsmeting
van 23 juni 1969 in Londen - werd van kracht op 18 juli
1982 en in 1994 internationaal verplichtend. Hierdoor
worden alle schepen op dezelfde manier opgemeten. De
bruto tonnenmaat wordt berekend volgens een formule
waarin het scheepsvolume onder het bovendek en de
ingesloten ruimtes boven het bovendek is opgenomen.

Buiswater (N) spray (E)

Ook stuifwater genoemd: opspattend of overkomend fijn verdeeld water bij een varend schip in een bries of harde wind.

Bulbsteven (N) bulbous bow (E)

Min of meer bolvormige uitstulping aan de voorsteven van een schip. Door intensief onderzoek, vooral van Japanse zijde en praktische ontwerpen van Amerikaanse zijde, én studies bij vele waterbouwkundige laboratoria, bleek de bulbsteven een grote vermindering te geven van de weerstand, dus ook van het nodige machinevermogen van schepen die veel op een constante diepgang varen. De toepassing ervan is na 1963 sterk toegenomen.

Bunkeren (N) (to) bunker (E)

Het innemen van brandstof.
Bunker: uit het Engels overgenomen woord voor de bergruimte aan boord, waarin brandstof wordt meegevoerd, bestemd voor de voortstuwing van het schip en de installaties aan boord.

Bunkerstation (N)

Opslagplaats voor brandstoffen met overslaginstallaties waar schepen een voorraad brandstof kunnen innemen. Over de gehele wereld zijn langs de scheepvaartroutes bunkerstations gevestigd. Sommige havens zijn ook van belang als bunkerstation (bvb. Singapore, Rotterdam, e.a.).
Zeehaven Brugge vzw - Brusselstraat 45, 8380 Zeebrugge - info@zeehavenbrugge.be